Sulawesi Geribbelde Neushoornvogel
|
Latijnse benaming :Aceros
(Aceros) Cassidix
|
| |
 |
| |
|
| Beschrijving :
Een volwassen mannetje heeft rossige bruine kroon.
Het lichaam en de vleugels zijn zwart, de bovenste delen hebben een groene
metalige glans. De staart van de vogel is wit. De snavel is geel met
oranjebruine strepen langs de basis van de hele snavel. (boven en onder)
Ook heeft de vogel hoge roodbruine ribbels boven de
snavel. De naakte huid rond de ogen is lichtblauw van kleur en loopt over
naar donkerblauw.
De kale huid bij de keel is donkerblauw van kleur met
lichtblauwe vlakken.
De ogen van het mannetje zijn oranje tot rood. De
benen en poten zijn zwart.
Het
is niet bekend in welke periode de vogel ruit.
|
| Afmetingen & gewicht :
Man:
Vleugel: 390-480 (441)mm
Staart: 250-308 (288)mm
Snavel: 200-275 (264)mm
Gewicht : 2360 gram
|
Vrouw: Vleugels:
354-420 (396)mm
Staart: 234-283 (262)mm
Snavel : 193-210 (197)mm
Gewicht : onbekend |
 |
De vogels hebben een lengte van 70-80cm. Ze zijn de
grootste van de maar twee voorkomende neushoornvogelsoorten op Sulawesi.
Een vogel die op zoek is naar een partner herhaalt
voortdurend een geluid dat lijkt op grrok.
|
| Geslachtsonderscheid :
Een volwassen vrouwtje lijkt op het mannetje maar is
kleiner. Haar helm is ook minder ontwikkeld. Het hoofd en haar nek zijn
helemaal zwart. Ze heeft niet de bruine en roomkleuren die kenmerkend zijn
voor het mannetje. De band bij de keel is minder breed. De ogen van het
vrouwtje zijn bruin tot oranje.
De jongen:
Een jong heeft het verenkleed van een volwassen man
ongeacht sexe. De helm is nog niet ontwikkeld en de snavel is lichtgeel van
kleur. Bij de basis is de snavel rood. De huid bij het gezicht is bleker dan
bij de volwassen vogel.
De ogen zijn donker bruin met een gele rand.
|
| Verspreidingsgebied : De vogel
komt voor in Indonesië, op Sulawesi en de aangrenzende eilanden van Lembeh,
Togian, Buton en Muna.
|
|
Natuurlijke leefomgeving:
Ze komen alleen voor in wouden die altijd groen zijn. Ze zijn te vinden
tot 1800meter hoogte. Ze hebben wel bossen nodig om te kunnen overleven want
daar groeien de vijgen enz. De vogel komt ook voor op de laaglanden en de
lager gelegen wouden maar in mindere getale. De vogels zijn echt afhankelijk
van de dichte bossen en dit wordt bedreigd door de kap van bomen. |
 |
| Voeding in gevangenschap :
Nog
in bewerking Broeden en levenscyclus :
De vogels leven over het algemeen in paren. Als voedsel eten ze vooral
fruit.
Het vrouwtje gaat als eerste het hol inspecteren. Als ze alles goed vind
gaat ze over op broeden. Het mannetje gaat over op het verzamelen van
voedsel en voert het vrouwtje tijdens deze periode.
De nestperiode duurt 133 dagen. De ene periode duurt 133 dagen en de
volgende 140.
De nesten bevinden zich tussen de 13 en de 42 meter boven de grond. De vogel
broed niet in elke boom maar in bepaalde soorten. Onder andere vijgenbomen. |
Het vrouwtje metselt de ingang van
het nest dicht, er blijft een nauwe streep waardoor het mannetje haar kan
voeren. Hierbij gebruikt ze haar eigen uitwerpselen. Als het niet anders kan
metselt ze de ingang maar gedeeltelijk dicht, ze verlaat het nest dan na 58
dagen, het jong wordt dan toch zonder problemen groot.
Het mannetje blijft voer aanslepen en vervoert het in zijn slokdarm. Als hij
bij het nest is braakt hij het op. Er is geen patroon in het aantal voedsel
dat het dier meeneemt. De grote van het voer verandert wel als het jong
groter wordt maar dat is logisch.
Tweeënveertig dagen na het inmetselen komt het kuiken te voorschijn. Het
jong heeft dan nog een donkerpaarse huid.
Het broedende vrouwtje verschijnt op gemiddeld 24 tot 32 dagen voordat het
kuiken uitvliegt. Ze helpt het mannetje met het voeren. Bij deze soort is
het erg onwaarschijnlijk dat het vrouwtje uit het nest komt als het
verenkleed van het jong nog niet goed is doorgekomen. |
| Broedresultaten :
Geen |