Piep en Pep

Het zal ergens in 1995 zijn geweest, heel precies weet ik het niet meer. Thea, mijn partner, was bij een dierenimporteur om te zien of hij voor ons geschikte vogels had, toen deze vroeg wat we die avond zouden eten. Bij het zien van haar verbaasde blik voegde hij er meteen aan toe: ik denk dat het kippensoep wordt. Ik heb hier nog een paar soepkippen zitten en als je ze niet meeneemt eet ik ze vanavond zelf op. 
 Die “soepkippen”bleken twee Kasuaris kuikens te zijn waarop Thea meteen verliefd werd. Eenmaal thuis bleken ze uit verschillende nesten te komen, de een was beduidend groter dan de ander. De kleinste bracht piepgeluidjes voort en werd al gauw Piep genoemd, terwijl de grootste vrij stil was maar wel erg actief. Die moest dus Pep gaan heten. Nadat we in de vogelencyclopedie opgezocht hadden wat die vreemde vogels moesten eten hebben we ze meteen flink wat fruit voorgeschoteld waar ze ook wel raad mee wisten. In het begin ging het nog wel maar hoe groter ze werden des te meer fruit verdween in die altijd hongerige snaveltjes. 
    
  Ze groeiden dan ook als kool. Later hebben we ook kalkpreparaten aan het eten toegevoegd omdat ze anders, vanwege hun snelle groei problemen met de poten zouden krijgen. Het waren geweldig leuke dieren. Je kom er leuk mee spelen en ze wilden ook graag geknuffeld worden. Piep en Pep horden bij het gezin en de keuken was ook voor hen. Althans de eerste maanden. De stelling – wat er in gaat moet er ook weer uitkomen – gaat natuurlijk ook voor jonge kasuarissen op.  Dat ze hun vlaai, want zo mag je hun uitwerpselen wel noemen, gewoon in de keuken lieten vallen hebben we in het begin voor lief genomen.
Tot die ene dag. Wij werkten de hele week, Thea gewoon overdag en ik in de ploegendienst. Soms kwam het wel voor dat we allebei op de dag weg waren voor de zaak en konden we de taken in huis ook moeilijker verdelen omdat we ook nog veel andere dieren hadden. Die dag hadden we een kist rijpe peren, die we voor al onze vogels gebruikten, vergeten op te ruimen. ’s-Avonds kwamen we thuis en troffen onze lievelingen uitgeteld aan met hun kop in de kist met peren en de perenmoes pruttelend aan hun achterkant. Dat deed de deur dicht, te meer omdat ze overdag blijkbaar elkaar met spelen achterna hadden gezeten en diverse keren onderuit waren gegaan  in hun eigen mest. De spetters zaten tegen de muren en de verwarming. Ze moesten naar buiten. Het was zomer dus ging de voordeur open en moesten de kleine wildebrassen hun dag voortaan in de voortuin doorbrengen. Dat werkte prima, als we in de namiddag weer thuiskwamen riepen we ze en kwamen dan van tussen het struikgewas aangerend. Hongerig als altijd kregen ze dan hun eten en mochten ze in de keuken overnachten. ’s-Morgens  weer naar buiten en gewoon doorgroeien natuurlijk.

 Omdat ik ploegendienst draaide sliep ik ook wel eens overdag en zo gebeurde het dat ik wakker schrok van gekrijs in de voortuin. Het was een vrouwelijke postbode die een pakketje aan de voordeur af had willen geven. Piep en Pep waren uit de struiken gekomen en wilden natuurlijk aangehaald worden, dus liepen ze op die leuke juffrouw af, die daar helemaal niet op voorbereid was en gillend het poortje uitstormde. Ga weg, enge beesten….

Het pakketje vond ik even later halverwege de het tuinpad. Gelukkig was er niets beschadigd.

De kasuarissen werden steeds groter. In die tijd gingen we op zondag nogal eens wandelen. Piep en Pep liepen dan mee, als twee jonge hondjes. Wat konden die twee rennen zeg. Dwars over de velden en door sloten, het was gewoon een lust om die twee bezig te zien. Als ze achter elkaar aanrenden ging de eerste wel eens snel plat op de grond liggen. De ander zag je dan rondlopen en zoeken van : waar is ie nou. Dan sprong de eerste weer op en samen renden ze door het hoge gras verder.  Een gelukkige tijd voor ons allemaal. 
 De vogels hadden inmiddels de pubertijd bereikt en dat hebben we geweten ook. Op een dag was Piep weg. De hele omgeving hebben we afgezocht, dagenlang. Mensen uit de buurt hielpen met zoeken, maar  geen Piep. Ook Radio Gelderland was gevraagd een boodschap uit te zenden, wat ze ook verschillende keren hebben gedaan. Toen kwam na anderhalve week iemand aan de deur die vertelde onze kasuaris te hebben gezien. Het was een jager en hij had Piep zien lopen en haar voor een ree aangezien. Hij was snel naar huis gereden om zijn geweer te halen maar bij terugkomst op die plek was de vogel gevlogen, haha.   Je begrijpt dat de paniek bij ons alleen maar groter werd, we moesten koste wat kost als eerste de vluchteling vinden, anders zou ze haar leven niet zeker meer zijn. Zeker ook omdat de meeste mensen wel weten dat kasuarissen toch gevaarlijk kunnen zijn. Het was midden in de zomer en wij wonen in de Betuwe, van de honger zou ze niet omkomen. Fruit zat. De zondag daarop werden we bij het ontbijt gebeld door een engelse dame die even verderop woonde en vertelde dat haar zoontje in hun tuin een vreemde kangoeroe had zien lopen. Wij er naar toe, maar Piep wilde niet meer naar ons en de meegenomen bak met eten toekomen. Ze liep verder weg, de velden in. Na wat rondrijden met de auto in de buurt zag ik haar een voortuin van een boerderij ingaan die omheind was met een vrij hoge haag. Ik erachteraan en na een stevige knokpartij kon ik haar de auto inkrijgen waar ze verder rustig rond bleef liggen kijken. Ik was bont en blauw. De vogels waren flink sterker geworden ook.
 Terug thuis zetten we ze weer bij elkaar. De vogels moesten echter niets meer van elkaar hebben en begonnen te vechten. Later zagen we op de televisie een documentaire over kasuarissen waaruit bleek dat het solitaire vogels zijn die geen soortgenoten in hun omgeving dulden, behalve in het broedseizoen.
  We wonen in een boerderij zoals je wel begrepen zult hebben dus aan ruimte geen gebrek. Ze kregen ieder hun eigen omheinde weilandje met een gezamenlijk binnenhok dat ook in het midden afgeschermd was. Dat is lang goed gegaan en de vogels werden volwassen en zagen er prachtig uit. Elke dag twee grote bakken met fruit de man, aangevuld met loopvogelkorrels en een grote bak water. Een jaar later in de oogsttijd liepen we tegen het volgende probleem aan. Op de naast ons liggende velden werd maïs verbouwd. Bij de verzorging daarvan(lees: spuiten tegen onkruid en beestjes) werd gebruik gemaakt van tractoren die zo’n herrie maakten dat Piep en Pep het helemaal te kwaad kregen en over de omheining van hun verblijven sprongen. Gelukkig hebben we bij het in gebruik nemen van het achterveld een Heras hekwerk laten plaatsen van 2,5 m hoog, daar konden ze niet overheen natuurlijk. Wat ze wel deden was eigelijk net zo erg ; ze probeerden er toch op een of andere manier uit te komen en beschadigden daarmee hun onbehaarde koppen zo erg dat het bloed er langs liep.
 Om ze weer terug in hun weilandjes te krijgen heb ik de eerste keer geprobeerd ze met een lasso te vangen. Dat lukte nog wel maar daarna werd ik door het gras meegesleurd en kwam er zo achter dat dit toch niet de manier was. Iets anders proberen dus maar. Een bak met eten naar ze toegebracht en zo proberen om ze weer terug te lokken. Ze kwamen erop af en een begon ervan te eten, maar de ander was zo getergd dat hij om de bak heen liep en op mij afkwam. Het zag er best dreigend uit en ik draaide me om en begon terug te lopen, onderwijl Piep in de gaten houdend. Dat ging steeds sneller. De laatste tientallen meters heb ik dus maar rennend afgelegd met die grote vogel op m’n hielen. Door het manshoge gras met elk moment de kans om getrapt te worden. k heb toch heelhuids de ingang van de schuur gehaald en toen ’s avonds Thea thuiskwam heeft zij met veel geduld de klus toch weten te klaren. Ikzelf zat bovenop de schuur met een verrekijker in mijn hand te kijken of de operatie lukte. Tjonge, wat een held.  
  Die ontsnappingen gebeurden zo een paar keer, totdat met de oogst een machine werd ingezet die zo mogelijk drie keer zoveel herrie maakte en tien keer zo groot was. Dat bleek de druppel. Wat een paniek. Ze moesten daar weg. Inmiddels hadden we op de deel van de boerderij de oude paardenstal gereed gemaakt voor onze lievelingen. Er kwam een dierenarts met een blaasspuit en toen ze onder zeil gingen hebben we ze met de kruiwagen naar binnen gedragen. Daar hebben ze ongeveer drie jaar doorgebracht tot schrik van de mensen die langs die paardenstal naar binnen kwamen. De voorkant van de stal had ik afgezet met oude houten pallets waar ze de planken van los trapten, vooral als er eens iemand te dicht in de buurt kwam. Dit tot grote schrik van de bezoekers en grote hilariteit van ons, natuurlijk.
We zijn daarna begonnen om voor de vogels een uitgekiend verblijf te bouwen, met een stenen gebouwtje als binnenhok en een flinke ren naar buiten. Alles in tweeën gedeeld natuurlijk.We wisten nu dat ze elkaar soms niet echt mochten. Voor de verhuizing kwam weer dezelfde dierenarts kompleet met gemoderniseerde blaasspuit op perslucht. Dat was trouwens het jaar dat voor het eerst de vogelpest uitbrak en heel Nederland in rep en roer was. Piep legde een aantal eieren, mooie grote groene eieren. 
    
Maar het was voorjaar en de zon scheen. Ze wilden naar buiten, dat was duidelijk. Kasuarissen stonden niet op de lijst van ‘te ruimen dieren’, maar we besloten toch om ze binnen te houden vanwege ‘de buurt’. We zaten hier net in het ‘buffergebied’ waar preventief toch alle dieren geruimd moesten worden. Achteraf een zinloze operatie omdat de vogelpest toch naar het zuiden kwam door stiekem vervoer van besmette kippen. Piep zag de zon steeds feller schijnen en werd door de gedwongen opsluiting weer erg agressief. Op een dag was ineens de agressie voorbij en bleef ze op de grond zitten. Ze kwam niet meer van die plaats. We dachten dat ze ziek was en hebben een paar dagen medicijnen toegediend. Die leken helemaal niet te helpen. Toen we de dierenarts erbij haalden bleek al gauw waarom. De arts liet het ons zien, ze had bij het trappen haar eigen poot gebroken. In de stal waren de schotten van hout, maar hier was alles van steen en dat geeft geen millimeter mee. We waren ontzet, zo had de vogelpest via een omweg bij ons toch toegeslagen! De arts kon weinig meer doen en gezamenlijk is besloten om Piep haar laatste spuitje toe te dienen…..

 

Het jaar daarna heeft een medewerker van vogelpark Avifauna een stamboek opgesteld voor alle Kasuarissen in dierentuinen en particulieren in de wereld, voor zover bekend natuurlijk. Daaruit bleek dat er veel dieren alleen zaten, net als onze Pep. Aan de hand van dat stamboek zijn toen een aantal verplaatsingen in gang gezet om uit die eenlingen een aantal paartjes te vormen. Dat betekende voor onze Pep dat hij naar Hamerton Zoo in Engeland verhuisde en dat wij twee nieuwe Kasuarissen terugkregen. Deze doen het uitstekend en waarschijnlijk omdat ze altijd buiten rond kunnen lopen  zijn ze ook helemaal niet agressief. Let wel – je kunt nog steeds de kooi niet in want het gevaar is altijd aanwezig, maar dat echt kwaad zijn hebben we niet meer geconstateerd. Het is nu voorjaar 2006, de nieuwe Piep2 heeft al 3 eieren gelegd, dus wie weet komt er ooit nog een vervolg op dit verhaal.

Hans Bataille